Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bezwaar tegen schrijven van 16 november 2011, waarbij appellante is uitgenodigd om te verschijnen bij Werkplein Maastricht voor een zogeheten groeibaangesprek, is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit schrijven is door het college terecht niet als een besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb , aangemerkt.

Uitspraak



14/2621 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

31 maart 2014, 12/95 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. A.M.H.E.G. Lemmens heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft bij wijze van verweer volstaan met verwijzing naar de gedingstukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Voor appellante is

mr. Lemmens verschenen. Het college heeft zich, zonder bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren op [datum] 1959, ontving sinds 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante is op

15 november 2011 medisch gekeurd door de bedrijfsarts M. Kempeneers met het oog op een mogelijk te realiseren plaatsing in een groeibaantraject. Bij schrijven van 16 november 2011 is appellante uitgenodigd om op 24 november 2011 te verschijnen bij Werkplein Maastricht voor een zogeheten groeibaangesprek. Daarbij is vermeld dat appellante op

15 november 2011 een medisch onderzoek heeft ondergaan bij Annex BV en dat daaruit is gebleken dat zij volledig arbeids- en trajectgeschikt is bevonden. Het college heeft het tegen de brief van 16 november 2011 gemaakte bezwaar bij besluit van 8 december 2011 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het college zich, voor zover hier van belang, op het standpunt gesteld dat de brief van 16 november 2011 niet als een besluit maar als een mededeling van informatieve aard moet worden beschouwd. De brief bevat een uitnodiging om de medische keuring en een eventueel vervolg te bespreken maar (nog) geen besluit inzake rechten en verplichtingen. Het tevens in het bezwaar begrepen verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen is doorgezonden naar de desbetreffende afdeling. Na medische vervolgonderzoeken op 6 en 23 januari 2012 heeft het college appellante bij besluit van 26 januari 2012 tijdelijk ontheven van de op haar rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de ongegrondverklaring van het beroep. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat het schrijven van 16 november 2011 wel als een besluit moet worden opgevat en dat zij als gevolg van dat besluit immateriële schade heeft geleden die moet worden vergoed. Gesteld is verder dat het eerste medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat de zinsnede in de brief van 16 november 2011 dat “[uit het medisch onderzoek] is gebleken dat zij volledig arbeids- en trajectgeschikt is bevonden” wel degelijk als op rechtsgevolg gericht kon worden aangemerkt en dat zij op ontoelaatbare wijze onder druk is gezet om een groeibaan te accepteren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling gericht op rechtsgevolg.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het schrijven van

16 november 2011 door het college terecht niet als een besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb , is aangemerkt. Allereerst is van belang dat appellante niet aantoonbaar voorafgaand aan de brief van 16 november 2011 een verzoek om ontheffing van de verplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB heeft gedaan. Voorts kan de strekking van de brief, hoewel de brief op zichzelf wellicht wat ongelukkig is geformuleerd, bezwaarlijk anders worden geduid dan als een uitnodiging om op 24 november 2011 de resultaten van de op

15 november 2011 ondergane medische keuring te bespreken, zonder dat daaraan meteen al consequenties in de vorm van (nieuwe) verplichtingen zijn verbonden. Tot slot moet de zinsnede in de brief van 16 november 2011 “dat [uit het medisch onderzoek] is gebleken dat appellante volledig arbeids- en trajectgeschikt is bevonden”, mede gelet op de context, als een mededeling van feitelijke aard worden beschouwd en bevat de brief evenmin een nadere concretisering van de in artikel 9, eerst lid, van de WWB neergelegde

re-integratieverplichting. De enkele vermelding “gespreksdoel: groeibaangesprek” in de brief en in de separaat bijgevoegde folder over algemeen voor bijstandsgerechtigden geldende verplichtingen zijn daartoe ontoereikend.

4.3.

Uit 4.2 vloeit voort dat het verzoek om vergoeding van de als gevolg van de brief van

16 november 2011 geleden immateriële schade, nog daargelaten dat deze niet met objectieve medische of anderszins verifieerbare gegevens is onderbouwd, moet worden afgewezen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade als vermeld in 4.3 af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.M. Fleuren

HD

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature