Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De (inwonend) partner van appellante verblijft niet langere rechtmatig in Nederland. Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. om verlenging van de woonkostentoeslag. Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag en ter compensatie van het niet ontvangen van het kindgebonden budget over 2013. Voorliggende voorziening. Niet is gebleken dat de financiële situatie van appellante gedurende de periode in geding van zodanige aard was dat daardoor bijvoorbeeld huisuitzetting en/of afsluiting van de energietoevoer dreigde. In dit verband is van belang dat appellante ten tijde in geding bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder en voorts zorgtoeslag en kinderbijslag voor drie kinderen. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent het psychisch lijden van haar kinderen als gevolg van de door de weigering van de woonkostentoeslag ontstane financiële situatie, doet hieraan niet af, nog daargelaten of uit de door appellante ingezonden stukken kan worden afgeleid dat het psychisch lijden van de kinderen volledig kan worden toegeschreven aan de financiële situatie van appellante.

Uitspraak



13/4791 WWB, 14/2156 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

23 juli 2013, 12/5887, en van 11 maart 2014, 13/6431 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Namens appellante is

mr. Van Willigen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.J. Schakenraad.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 27 februari 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 24 februari 2012 heeft het college aan appellante over de periode van 1 januari 2012 tot 1 juli 2012 bijzondere bijstand op grond van de WWB verleend in de vorm van een woonkostentoeslag tot een bedrag van

€ 209,74 per maand. Hierbij heeft het college appellante als voorwaarde opgelegd dat haar partner een geldige verblijfsvergunning verkrijgt zodat zij aanspraak kan maken op huurtoeslag en voorts opgemerkt: “Mocht vanwege bijzondere omstandigheden na die

6 maanden blijken dat ondanks al uw inspanningen u er niet in geslaagd bent een geldige verblijfsvergunning te krijgen en de noodzaak tot bijstandsverlening nog bestaat, dan dient u hiervoor opnieuw een aanvraag in te dienen. In uitzonderlijke situaties zal dan een zeer tijdelijke voortzetting van de uitkering kunnen worden verkregen.”

1.2.

Op 10 april 2012 heeft appellante een aanvraag ingediend om verlenging van de woonkostentoeslag vanaf 1 juli 2012.

1.3.

Bij besluit van 5 juli 2012 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de Wet op de huurtoeslag (Wht) als een toereikende en passende voorliggende voorziening geldt als bedoeld in artikel 15 van de WWB. Indien op grond van een bewuste keuze van de wetgever de huurtoeslag niet aan appellante wordt toegekend, omdat haar partner niet rechtmatig in Nederland verblijft, wordt voor de woonkosten ook geen bijzondere bijstand verleend. Voorts is niet gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB .

1.4.

Op 19 november 2012 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd in de vorm van een woonkostentoeslag en ter compensatie van het niet ontvangen van het kindgebonden budget over 2013.

1.5.

Bij besluit van 19 februari 2013 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

5 september 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de Wht en de Wet op het kindgebonden budget (Wokb) als toereikende en passende voorliggende voorzieningen gelden als bedoeld in artikel 15 van de WWB .

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de afwijzing van haar aanvraag van 19 november 2012 in strijd is met het besluit van 24 februari 2012. Voorts heeft appellante aangevoerd dat in haar geval met toepassing van de Beleidsregel ‘Individuele schrijnende gevallen’ (Beleidsregel) een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel dat de Wht en de Wokb passende en toereikende voorliggende voorzieningen zijn. Daartoe heeft appellante erop gewezen dat haar kinderen psychisch lijden onder de door de weigering van woonkostentoeslag ontstane slechte financiële situatie. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond van appellante met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag van

19 november 2012 merkt de Raad aan als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. Appellante heeft weliswaar huurtoeslag tot juli 2012 gekregen maar van concrete toezeggingen voor de tweede helft van 2012 is niet gebleken.

4.2.

Vaststaat dat appellante ten tijde hier van belang geen recht op huurtoeslag en kindgebonden budget heeft omdat haar (inwonende) partner niet langer rechtmatig verblijf in Nederland had.

4.3.

Ingevolge artikel 15 van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Niet in geschil is dat de Wht en de Wokb toereikende en passende voorliggende voorzieningen vormen. Dit betekent dat artikel 15 van de WWB in de weg staat aan verlening van bijzondere bijstand voor de hier aan de orde zijnde kosten.

4.4.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, toch bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Niet in geschil is dat deze situatie zich in het geval van appellante niet voordoet.

4.5.

Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de Beleidsregel van toepassing is in schrijnende gevallen waarin een voorliggende voorziening aan bijstandverlening in de weg staat en geen zeer dringende redenen bestaan als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB . Naar de gemachtigde van het college tijdens de behandeling ter zitting heeft toegelicht, heeft het college met schrijnende gevallen het oog op uitzonderlijke situaties van materiële aard, zoals dreigende huisuitzetting of afsluiting van de energietoevoer, waarbij tevens alle feiten en omstandigheden van het individuele geval in aanmerking worden genomen.

4.6.

De Beleidsregel dient als buitenwettelijk begunstigend beleid aangemerkt te worden. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1459) wordt buitenwettelijk begunstigend beleid als gegeven beschouwd en dient de bestuursrechter te volstaan met de beoordeling van de vraag of het bestuursorgaan het beleid op consistente wijze heeft toegepast.

4.7.

Dit laatste is het geval, aangezien niet is gebleken dat de financiële situatie van appellante gedurende de periode in geding van zodanige aard was dat daardoor bijvoorbeeld huisuitzetting en/of afsluiting van de energietoevoer dreigde. In dit verband is van belang dat appellante ten tijde in geding bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder en voorts zorgtoeslag en kinderbijslag voor drie kinderen. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent het psychisch lijden van haar kinderen als gevolg van de door de weigering van de woonkostentoeslag ontstane financiële situatie, doet hieraan niet af, nog daargelaten of uit de door appellante ingezonden stukken kan worden afgeleid dat het psychisch lijden van de kinderen volledig kan worden toegeschreven aan de financiële situatie van appellante.

4.8.

Het beroep van appellante op artikel 27 van het IVRK slaagt niet. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 26 januari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686) en van 29 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM9795), kan dit artikel niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet .

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Omdat de hoger beroepen niet slagen, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat deze verzoeken worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) P.C. de Wit

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature